Al 15 jaar de nieuwssite voor Genemuiden!
21 september 2020
Agenda
Van Dijk Heftrucks (tijdelijk)

Biestemerk (column Nick Hoekman)

Geplaatst op: 16 oktober 2015

Wanneer ik het luiden van een bel hoor klinken, word ik intens gelukkig. Nee, ik verwijs hierbij niet naar het café. Alhoewel me dat ook gelukkig maakt hoor. Nee, wanneer ik een klepel hoor neerdalen op een goudkleurig metallieken voorwerp, dan dwalen mijn gedachten automatisch af naar de derde week van oktober. Biestemarkt. Kermis. Bier. Oliebollen. Nog meer bier. Snert. En bier.

Om eerlijk te zijn, ik ben geen goede zweefmolenaar. Middelmatig meer. Het Heracles van de zweefmolen eredivisie. De eerste keer vergeet ik nooit meer, mijn vader voorin, Nickje achterin. Mijn vader was goed, lange benen, hoog springen, bijna met je hoofd tegen het dak. Doodsangsten en euforie wisselden elkaar binnen een nanoseconde af. Als kind van vijf of zes waande ik me een vogel in het luchtledige. Ik was verkocht. De zweefmolen en ik, het was liefde op het eerste gezicht.

Jarenlang was het een van de vaste onderdelen van mijn biestemarkt bestaan. Rond acht uur in de avond verzamelen op de kermis, kaartjes halen door middel van twee vijf cent muntstukken op elkaar te plakken zodat het vijf gulden leek, ‘eem zeefm’, en dat hup – ja jongelui, goed opletten – naar Bar de Nachtweg, Schippers of de Krulle. Plekken die met het jaar meer en meer geromantiseerd worden en waar menig relatie opbloeide, uit elkaar spatte of waar op z’n minst een flinke deuk in werd getrapt. Op dinsdagochtend een ontbijt met frikandellen, rondje zweefmolen, drie bier, brunchen met frikandellen, rondje langs het toilet. De echte die-hards gingen daarna opnieuw een rondje in de zweefmolen. Ikzelf was dan meestal al aan het meedeinen op ‘het slavenkoor’.

Tegenwoordig zweef ik bijna niet meer, alleen buiten Genemuiden. Festivals zijn favoriet. Mysteryland, Zwarte Cross, Pinkpop. Lowlands. Als er een zweefmolen te vinden was, dan zat ik er in. Eens te meer blijkt tijdens zulke gelegenheden dat de zweefmolen een speciale aantrekkingskracht op Gaellemunigers heeft. Zoals Bassie & Adriaan bij elkaar horen, zo horen de zweefmolen en wij *dorpelingen ook bij elkaar. Ook al is het geen dagelijks weerzien, wanneer we elkaar ontmoeten is meteen dikke mik. Het mooie is ook, je kunt de Gaellemunigers ook in één oogopslag onderscheiden van het andere volk. Het andere volk draait rustig hun rondjes, wij willen met ons hoofd het liefst het dak van de attractie er uit koppen. De muziek van het draaiorgel, kapotte schenen, het gekletter van de bel, het onbezorgde zweven door de lucht, het zijn de ingrediënten waardoor ik me weer even zeventien voel.

*Jaja, dorpelingen. Ik weet dat we op papier een stad zijn, rustig maar. Binnenkort komt er een vierhonderd woorden tellend opstel over deze dorp/stad kwestie.

Gepubliceerd door Erik Driessen
Van Dijk Containers 500