Al 15 jaar de nieuwssite voor Genemuiden!
1 december 2020 t’ Olde Staduus
Agenda
Van Dijk Heftrucks (tijdelijk)

Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog (11)

Geplaatst op: 16 maart 2017

Deel elf van de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog van Trijn van Berkum-Booi. Zij groeide op in Genemuiden en maakte als kind de oorlog mee. In deel elf over het dagelijkse leven tijdens de oorlogsjaren.

Nog even wil ik vertellen over de Egyptische duisternis die er toen in Genemuiden was. Bij winterdag was het toen om 4 uur in de middag al donker, vanwege de Duitse tijd. Die verschilde 1 uur en 40 minuten van de onze, en dat was knap lastig! Als er geen maan scheen was het aarde donker. De straatverlichting was uitgeschakeld, de enkele fietser had een afgedekte lantaarn.

Net als meer meisjes van mijn leeftijd droeg ik een lichtgevend speldje in de vorm van een halve maan op mijn jas.

Geen enkele winkel had nog verlichte etalages, alles was donker. Bij het kleine petroleumlampje [dat ik nu nog na al die jaren, op de schoorsteenmantel heb staan] hielp mijn moeder nog wat late klanten. Voor ieder raam hing een zwart papieren verduisteringsgordijn. Je liep in het donker nog wel eens ergens tegen op, en je was altijd een beetje bang voor een botsing met je medemens.

Na acht uur ’s avonds mocht niemand meer buiten komen. Alleen de Duitsers en diegene die een speciale Ausweiss hadden gekregen, zoals de dokters en de personen die wacht moesten lopen. Mijn vader met zijn buurman moesten ook voor de Wehrmacht werken, bij de luchtbescherming. Met een witte vlag, opgerold onder de arm, kregen zij opdracht om een bepaalde route te lopen, waar de Duitse Wehrmacht iedere dag langs trok, vice versa. En als er dan vliegverkeer was, moesten de wachtmannen zwaaien met de witte vlag. Dan wisten de Duitsers in de diverse auto’s dat er gevaar dreigde!

Als het in de zomer ’s avonds om 8 uur nog licht was, ook dan mocht er niemand meer op straat zijn. De jeugd van Genemuiden trok dan om half 8 in groepjes naar het Veer. Dat was in die tijd de plaats van samenkomst. En als dan tegen achten er een afdeling Duitsers verschenen, liepen wij vaak achterste voren in optocht over de Veerweg weer terug Genemuiden in. Dan werd er gescholden en getreiterd. Al joelend “wat kan ie wat, wat kan ie wat”. En natuurlijk de tong uitsteken naar die Duitsers die ons als een kudde schapen opjoegen, naar huis!

Maar de bezetters van Genemuiden waren van het goedig soort [in mijn ogen]. Want al hadden ze een geweer op de rug, ze grijnsden  maar een beetje en deden niets! Gelukkig. Een enkele keer heb ik maar mee kunnen doen aan dit vertoon, want ik mocht niet van thuis.

Intussen was op 6 Juni 1944 in Normandië de invasie begonnen, waar al zo lang naar was uitgekeken! Onze bevrijders waren onderweg, al ging het niet zo vlug als wij gedacht hadden.

In dat jaar waren er veel zieken. Een schoolvriendin die naast mij zat kreeg typhus, toen ze beter was was ze kaal. Zelf kreeg ik dysentrie, en kreeg in de herstelperiode een ligstoel van het Groene Kruis. Dan lag ik met mooi weer in de zon, met het vliegtuig gedaver boven mijn hoofd! Maar ook die dagen kwamen en gingen.

Op school arriveerde er in die tijd zo nu en dan een kist met dikke Jaffa sinaasappels, voor ieder kind één, ook kregen we zo nu en dan vitamine C tabletjes.

Eenmaal was er een luchtgevecht boven onze school en moesten we van de meester tegen de muur gaan staan, of onder de bank kruipen.

Onze hoofdmeester was erg Oranjegezind, en hield van zingen. Zo zongen we dikwijls tweestemmig. Dat klonk erg mooi, maar het waren wel verboden liedjes.

Toen op een dag kwam er een lege kerosinetank naar beneden suizen. Hij viel dicht bij een tapijtfabriek. De mannen hadden net schaftijd,ze stonden rond de tank geschaard toen er eentje een sigaret opstak. En zoefff… één grote steekvlam en de tank was weg!  Enkele mannen hadden geschroeide haren, maar wonder boven wonder raakte niemand ernstig gewond.

Door al die kleine  bizarre dingen, elke dag maar weer, wist je wel dat het  nog steeds oorlog was.

Bij ons in de winkel werd er wat afgekletst. Als ik mij verveelde, kroop ik stilletjes boven op de broodkist onder de toonbank, en luisterde vele volwassen- gesprekken af. Waarvan je de griezels soms over de rug liepen. Vaak kwam de vrouw van een NSB-er bij ons, zij was Oranjegezind en het niet eens met haar man, die nogal fanatiek was. Ze schreide altijd als ze haar hart uitstortte bij mijn moeder, en dat vond ik heel erg!

Maar als moeder mij in de gaten kreeg op dat geheime plekje, dan was ik nog niet jarig! Dat kon je net denken, grote mensen afluisteren, foei !

Verboden versje wat gezongen werd op school:

Wij leven vrij, wij leven blij.

Op Neerlands dierb’re grond.

Ontworsteld aan de slavernij.

Zijn wij door eendracht groot en vrij.

Hier duld de grond geen dwinglandij.

Waar vrijheid eeuwen stond! [2x]

Gepubliceerd door Erik Driessen
Van Dijk Containers 500