Al 20 jaar de nieuwssite voor Genemuiden!
21 juli 2024 t’ Olde Staduus
Agenda
Van Dijk Heftrucks (tijdelijk)

Hondenbrokjes en bruine bonen uit het riool tegen de honger

Geplaatst op: 17 juni 2023

Tijdens de coronapandemie stort ik mij bij wijze van tijdverdrijf op stamboomonderzoek. Zo ontdek ik dat de Jan Kolk op het oorlogsmonument in Genemuiden een naar Noord-Holland verhuisde neef van mijn opa Driessen is. Kolk overlijdt in concentratiekamp Neuengamme aan de vlekkentyfus. Ik schreef over die tragedie een lang verhaal op Genemuiden Actueel. Dit artikel is daar een vervolg op. Het gaat over de familie Kolk-Driessen en vooral over het leven van Dirk Jan. Die ontsnapt in de oorlog op spectaculaire wijze uit Kamp Vught.

“Kom maar achterom. Ik doe het licht in de schuur vast aan…”, zegt Helma Kolk als ik haar op een zonnige februaridag bel met de mededeling dat ik zojuist van de boot naar Ameland ben afgereden. De Genemuider gewoonte om de achterdeur als entree te gebruiken is blijkbaar op de Wadden ook bekend. “Ik heb het boek al klaar liggen…”, zegt Helma. Dat boek is precies de reden dat ik Ameland bezoek.

Twee jaar geleden verdiepte ik mij in het leven van Jan Kolk. De Duitsers pakten hem en broer Dirk Jan in Alkmaar op omdat ze op een lijst met ‘extreem-linkse personen’ stonden. Wout van Olst zette mij op het spoor van Ameland. Daar woont een zoon van Dirk Jan, weet Wout. Deze Klaas is dan al ver in de tachtig en omdat hij doof en uiterst kwetsbaar is, voert zijn veel jongere echtgenote Helma het woord. Zij vertelt dat Klaas tien jaar terug een boekje over zijn leven schreef. Dat is nergens meer verkrijgbaar en haar eigen exemplaar stuurt ze logischerwijs liever niet per post op. “Maar je bent altijd welkom…”, klinkt de uitnodiging. Liever niet in een periode van corona, luidt de begrijpelijke toevoeging.

Overleden

En dus komt begin dit jaar het plan Ameland weer in mijn hoofd. Klaas Kolk is ondertussen overleden, maar Helma mailt dat de uitnodiging nog altijd staat. In haar woning in Nes laat ze foto’s zien van Klaas, haar schoonvader Dirk Jan en ‘opoe’ Geesje Kolk-Driessen. Dat is een tante van mijn opa die in 1914 samen met echtgenoot Hermanus Kolk van de Hasselterdijk naar eerst Heerhugowaard en een jaar later Stompetoren verhuist. Vermoedelijk omdat ze in Genemuiden geen werk hebben. Ze nemen zes kinderen mee. Jan is met 20 jaar de oudste, Jennigje met 6 jaar de jongste. Dirk Jan is dan 9 jaar. In Heerhugowaard wordt in het jaar van de verhuizing nog een Berend Jan geboren. Hermanus gaat aan de slag als boerenknecht. De meeste zonen komen later in de bouw terecht.

“Pure armoede hoor…”, zegt Helma als een soort waarschuwing vooraf als ze het boek overhandigt. Het nieuwe leven in Noord-Holland lijdt bepaald niet tot luxe, lees ik dezelfde avond al. “Wie heeft het brood gesmeerd?”, vragen de kinderen aan tafel. “Ik”, antwoordt moeder Geesje. “En wie heeft het er weer afgehaald?”, klinkt dan de volgende vraag. De bittere armoede brengt het gezin van het geloof af. Ze beschouwen het dagelijkse gebed ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ op ten duur als zinloos. De kiem voor een voorliefde voor het socialisme en communisme lijkt gelegd. Ook omdat ze zien dat mensen met meer geld een mooi plekje vooraan in de kopen.

Rangen en standen

Het is een tijd waarin rangen en standen nog bestaan. Dirk Jan krijgt verkering met Trijntje Bom, tot verdriet van haar ouders. De middenstanders zien hun dochter liever niet met de zoon van een arbeider trouwen. Toch gebeurt dat. Dirk Jan en Trijntje verhuizen naar Alkmaar. Eerst wonen ze in bij broer Jan en later krijgen ze een eigen woning. Daar staat de wieg van zoon Klaas. Die maakt als kleuter zijn eerste drama mee. Trijntje overlijdt aan tuberculose. Vader Dirk Jan moet de kost verdienen en kan de opvoeding niet voor zijn rekening nemen. De ouders van Trijntje geven niet thuis. Eerst helpen huishoudsters, maar uiteindelijk verkast Klaas van pleeggezin naar pleeggezin. Tot opa en opoe besluiten dat het zo niet langer kan. Ze nemen Klaas in huis. Dirk Jan komt hem elke zondag opzoeken in Stompetoren.

Tweede Wereldoorlog

Daar maakt Klaas de Tweede Wereldoorlog mee. Hij beschrijft in zijn boek dat een verzetsgroep thuis bij opa en opoe vergadert, tot ongerustheid van Geesje. Die gemoedstoestand blijkt niet voor niets. De Duitsers pakken op een dag overal in Nederland communisten op. Ook Jan en Dirk Jan krijgen bezoek van de politie. Ze zijn betrokken bij de Alkmaarse CPN-afdeling. Voor de oorlog staan ze op de kandidatenlijst voor de communistische partij, net zoals broer Jacob voor de SDAP in Schermerhorn. Jan en Dirk belanden eerst in Kamp Schoorl en later in Kamp Amersfoort. Veel communisten gaan daarna op transport naar het Duitse Neuengamme. Bijna niemand keert terug. Ook Jan Kolk niet. Hij bezwijkt op 9 januari 1942 als 49-jarige aan de vlekkentyfus.

Dirk Jan moet zich een zelfde lot ook wel eens hebben toegewenst. Hij beleeft verschrikkelijke tijden in Kamp Amersfoort waar de beruchte kampcommandanten Berg en Kotalla (een van de latere Vier van Breda) een schrikbewind uitvoeren. Amersfoort krijgt niet voor niets het predicaat ‘hongerkamp’. Dirk Jan moet van Berg toekijken hoe die een brood over het prikkeldraad naar tientallen gevangen Russen werpt. De commandant verwacht dat de uitgehongerde gevangenen om dat ene brood gaan vechten, maar ziet tot zijn teleurstelling dat de Russen het brood terug over het hek gooien. De Russen overleven het kamp niet.

Op wacht als een hond

Dirk Jan verrekt zelf ook van de honger. Tijdens rioleringswerkzaamheden ziet hij bruine bonen langskomen. Hij spoelt ze schoon en eet ze op. Ook een bak vol brokjes voor een hond van de Duitsers eet hij leeg. De honger is gestild, maar voor straf moet de geboren Genemuidenaar een dag lang op handen en voeten bij de poort van het kamp zitten. Bij bezoek wordt hij geacht om te blaffen. Later moet Dirk Jan met andere gevangenen 48 uur achter elkaar in de bittere kou wachtlopen. Zonder eten en drinken, zonder bescherming. Het is dezelfde periode waarin zoontje Klaas aan een tante vraagt of hij zijn vader niet eens mag opzoeken. Die tante besluit dat ze samen een kijkje gaan nemen bij het kamp. Daar vertrekken ze maar weer als een Duitser met een zweep in de hand schreeuwend vraagt wat ze komen doen.

Uit het kamp gevlucht

De omstandigheden van Dirk Jan verbeteren na een overplaatsing naar Kamp Vught. De Duitsers ontdekken dat Dirk Jan als alleenstaande man goed heeft leren koken. Hij mag samen met een vriend werken in de keuken van een villa waar de officieren hun maaltijden nuttigen. Ondertussen werkt het Alkmaarse en later het Amsterdamse verzet aan een ontsnapping van Dirk Jan en zijn kornuit. Die bedenken zelf een deel van het ontsnappingsplan. Ze maken beschuit met aardbeien klaar voor de Duitse bewakers. In de rode vruchten stoppen ze een slaapmiddel. Dat heeft Dirk Jan net opgehaald bij de dokter omdat hij zogenaamd slecht zou slapen. “Dat hoort bij de eerste aardbeien van het seizoen…”, zegt Dirk Jan, als een Duitser opmerkt dat de aardbeien wat bitter zijn. Even later valt de man in slaap.

Even later ziet Dirk Jan een kleutermeisje op een fietsje voor de villa staan. Ze knipoogt naar de vluchtelingen. Die bedenken zich dat het meisje vermoedelijk onderdeel is van het opgezette vluchtplan. Ze volgen haar en komen zo inderdaad bij verzetslieden die de betrekkelijke weg naar vrijheid weten. Dirk Jan gaat eerst naar Amsterdam en later besluit de familie in Stompetoren hem terug naar huis te halen. Na een lange en gevaarlijke fietstocht, op banden van tuinslangen, komt Dirk Jan aan bij zijn ouderlijke woning. Bij naderend gevaar kan hij terecht in een schuilplaats bij de buren.

Overleden op huwelijksfeest

Opa Hermanus leeft dan ondertussen niet meer. Hij is een jaar geleden overleden in het weekeinde dat hij en Geesje hun vijftigjarig huwelijk vieren. Eigenlijk hebben ze daar na de dood van zoon Jan geen behoefte aan, maar de familie blijft aandringen. Dan besluiten ze dat ze op zaterdag de buren uitnodigen en op zondag de familie. Op zaterdagochtend fietst Hermanus naar Oterleek. Hij wil een pan soep ophalen bij zoon Jaap. Op de terugweg gaat hij nog even langs een kruidenier. Tijdens het wachten krijgt hij een hartstilstand. Hermanus Kolk overlijdt op 73-jarige leeftijd. Kleine Klaas zal het hartverscheurende gehuil van opoe nooit meer vergeten, schrijft hij in het boek. Wat een mooie dag in een nare tijd moest worden, mondde uit in nog meer ellende en verdriet.

In de kleine arbeiderswoning in de Schermer moet tijdens de Duitse bezetting veel zijn gebeurd. Klaas beschrijft dat een aantal Russen tijdelijk onderdak kreeg. Die kwamen van een van de Waddeneilanden. Ze gooien af en toe een granaat in het water achter de woning. Op die manier vangen ze vissen die ze later opeten. Als de Russen vertrekken, geven ze de familie Kolk een fles wodka als bedankje. Maar verder dan nippen komen de familieleden niet. Wodka is niet aan hen besteed. Ook komen bewoners van de grote stad naar Stompetoren en omgeving. In de hoop op eten. Dat kon de familie Kolk ze niet bieden, maar bezoekers mochten wel een nachtje blijven slapen in een hoopje stro in de woonkamer. Ook verzetsmensen uit Alkmaar die tijdelijk een veilig onderkomen nodig hadden, sliepen regelmatig in het kleine huisje.

Oorlogstrauma

Dirk Jan houdt na de bevrijding last van een oorlogstrauma. Hij staat onder doktersbegeleiding. Na de oorlog trouwt hij met een Amsterdamse vrouw die hij in Kamp Vught heeft leren kennen. Samen krijgen ze zoon Jan, vernoemd naar de in Duitsland omgekomen broer. Als zijn tweede echtgenote in de jaren zeventig overlijdt, vindt hij nog een paar jaar het geluk bij Alie Mantel uit Alkmaar. Die kent hij nog omdat hij in de oorlog bij de familie Mantel ondergedoken heeft gezet. Ze ontmoeten elkaar opmerkelijk genoeg midden jaren zeventig weer bij een bijeenkomst waar hij een verzetskruis in ontvangt mag nemen. Eigenlijk wilde Dirk Jan daar niet naar toe. Hij heeft er moeite mee dat ook mensen die nooit de ellende van een Kamp meemaakten zo’n kruis ontvangen.

Ook zoon Klaas staat na de Tweede Wereldoorlog onder behandeling van psychologen. De herinneringen aan zijn vroeg overleden moeder en de oorlogsellende houden invloed op zijn leven. Bij onrecht komt zijn opvliegende karakter boven. Als hij hoort dat een huisarts op Ameland de roddel in de wereld helpt dat het bij de familie Kolk een ‘rommeltje’ is, besluit hij tot een bezoek aan de dokter. Dat sluit hij af door het bureau van de arts op de kop te zetten. “Zo, nou is het hier ook een rommeltje…’, verklaart Klaas zijn actie. Die is overigens vanwege de liefde op Ameland belandt. Daar werkt hij het grootste deel van zijn leven als buschauffeur.

“Je man heeft wel wat meegemaakt…”, verzucht ik als ik Helma een paar dagen later het boekje kom terug brengen. “Ja, ik heb hem destijds nog wel gezegd dat hij ook wat vrolijke verhalen moest toevoegen…”, glimlacht Helma.

Ze vertelt dat haar schoonvader Dirk Jan regelmatig op visite kwam op Ameland. “Maar nooit in de zomervakantie. Dan waren er veel te veel Duitsers, vond hij. Daar kon hij niet tegen…”

Het valt hem niet kwalijk te nemen.

 

Gepubliceerd door Erik Driessen
Van Dijk Containers 500