Al 15 jaar de nieuwssite voor Genemuiden!
26 oktober 2020 t’ Olde Staduus
Agenda
Van Dijk Heftrucks (tijdelijk)

Vroege lente (column Gerrit van Houwelingen)

Geplaatst op: 6 maart 2016

De morgens zijn nog koud, maar het klein hoefblad kan niet langer wachten en verschijnt als eerste rond de vijver. Het speenkruid in het plantsoen houdt nog even de adem in. Bij de eerste kokmeeuwen dijen de koptelefoons uit tot chocoladebruine kappen. De aalscholvers krijgen een felwitte stuit. En op het schoolplein komen de eerste knikkers te voorschijn. Rond de school op het Tag is er veel bedrijvigheid. Bij de Kamperdijk is een heimachine precies tijdens de citotoets op het hoogtepunt van zijn gedreun en begint een zware graafmachine de pas aangelegde riolering onder het fietspad naar de woonwijk weer op te graven. ’t Gebeurt ter hoogte van de lokalen van de bovenbouw. De jeugd van groep 7 houdt het aantal zandladingen die worden aangevoerd nauwkeurig bij, omdat de meester van de nood een deugd maakt en een les geeft over het begrip ‘kuub’. Groep 8 buffelt onverstoorbaar door aan de toets, immuun voor alle herrie.

In het vroege voorjaar, als de bodems van de oude landgoederen gestoffeerd zijn met stinsenplanten ontwaakt ook hij uit zijn winterslaap. Een van zijn favoriete lenteplekjes om te vogelen is het hoge land van Vollenhove. Boomklevers nestelen er in het holletje van een beuk. Een sperwer scheert langs de bosrand en verdwijnt naar de hoger gelegen houtwalletjes. Steevast neemt hij ook een kijkje bij de paddenpoel in het Voorsterbos. In het Kadoelermeer dobberen brikduikers en nonnetjes.

Zijn kooiker is toe aan de herhelingsenting tegen parvo, bordetella, leptospirose en nog een serie enge hondenziekten. Hij loopt het veterinair centrum uit en doet de slijter aan, want een opkomende griep bestrijden met een liter vieux is een probaat voorbehoedmiddel. Op weg naar huis slentert hij langs de haven, waar verslaafde dobberaars de ziekte moedwillig op hun hals halen. Meeuwen kijken vanaf dukdalven begerig naar het zilverwit. Het grieperige gevoel delft in de loop van de week het onderspit. Hij fietst een rondje Wieden. Het is om het vriespunt, windstil, geen wolkje aan de hemel. Bij de Blauwe Hand pakt hij een warme chocomel. Verder naar Dwarsgracht gaat niet, nu het voetveer Jonen er ’s winters uit ligt. Dan maar over de Ronduite terug. Overwinterende smienten fluiten op de Beulaker.

Hij belt een hotelletje in Gouda, waar hij in de tweede helft van de jaren zestig de moeder aller refo-scholen bezocht. Vol bewondering staart hij naar de glazen van de gebroeders Crabeth in de Sint Jan. Hier hoorde hij zijn eerste ‘Mattheüs’ met Elly Ameling: ‘Ich will dir mein Herze schenken’. Onvergetelijk, net als de ‘Johannes’ in het Concertgebouw veertig jaar later, na zijn pensionering. Een laag zonnetje schijnt boven de Krimpenerwaard als hij de Bastide-route fietst. Langs de Vlist noteert hij een onwaarschijnlijke ontmoeting met een porseleinhoen. Over Berkenwoude gaat het op Gouderak aan, waar een pontje hem naar de overkant in Moordrecht brengt. Hij rijdt nog langs de school waar hij praktijkexamen voor onderwijzer deed met een vertelling over ‘De dood van Simson’ en schudt zijn grijze kop.

 

Gepubliceerd door Erik Driessen
Van Dijk Containers 500